Week van Gelijke kansen: school opent deuren voor mbo’ers

Bijna de helft van de jongvolwassenen kende bij de zoektocht naar een eerste stage of baan niemand die hen bij een werkgever kon introduceren. Wie wél zo’n introductie kreeg, vond vaker binnen een maand een plek. Vooral voor mbo-opgeleiden blijkt de school een belangrijke ingang. Dat blijkt uit nieuw onderzoek dat is gepubliceerd voor de Week van Gelijke Kansen (van afgelopen maandag tot en met a.s. zondag).

De Week van Gelijke Kansen is inmiddels aan haar zesde editie toe. Het thema is dit jaar Jouw netwerk, hun toekomstkansen. Daarmee vraagt initiatiefnemer JINC aandacht voor de invloed die familie, docenten, stagebegeleiders, werkgevers en andere contacten kunnen hebben op de toekomst van jongeren. Niet iedere jongere beschikt vanzelfsprekend over mensen die kunnen adviseren, helpen of een deur naar de arbeidsmarkt kunnen openen. Nieuw onderzoek van Multiscope onder duizend jongvolwassenen van 18 tot en met 34 jaar maakt zichtbaar hoe groot die verschillen zijn. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van JINC.

Introductie maakt het verschil

Van de ondervraagde jongvolwassenen kende 47 procent bij het zoeken naar een eerste stage of baan niemand die hen bij een werkgever kon introduceren. Bijna zes op de tien kregen wel enige vorm van hulp bij hun zoektocht. Ruim een derde werd daadwerkelijk met een werkgever in contact gebracht. Zo’n introductie hangt samen met een snellere zoektocht. Van de jongvolwassenen die hulp én een introductie kregen, vond 50 procent binnen een maand een eerste stage of baan. Van degenen die wel hulp kregen, maar niet bij een werkgever werden geïntroduceerd, lukte dat 39 procent.

Ook de ervaring van de zoektocht verschilde. Van de jongvolwassenen met een introductie vond 60 procent het zoeken makkelijk of heel makkelijk. In de groep die wel hulp maar geen introductie kreeg, was dat 45 procent. De onderzoekers spreken nadrukkelijk over een samenhang; de cijfers bewijzen niet dat de introductie de snellere plaatsing veroorzaakt.

Niemand om op terug te vallen

Een deel van de jongvolwassenen kreeg helemaal geen hulp. Van deze groep had 21 procent daar wel behoefte aan, maar kende niemand die kon helpen. Op de vraag wat hen het meest vooruit zou hebben geholpen, noemde 34 procent begeleiding en 27 procent een netwerk. ‘Je toekomst hangt niet alleen af van wat je kunt, maar ook van wie je kent en wie jou verder kan helpen’, zegt JINC-directeur Illya Soffer. Talent is volgens haar overal aanwezig, maar de toegang tot de wereld van werk is niet voor iedereen gelijk.

Scholen als brug naar de arbeidsmarkt

Ouders, docenten en stagebegeleiders spelen volgens het onderzoek een belangrijke rol bij de eerste stap naar werk. Vooral voor mbo-opgeleiden is de school een belangrijke ingang. Daarmee kan een mbo-school meer zijn dan de plek waar studenten vakkennis en vaardigheden verwerven. De school kan ook de brug vormen naar werkgevers en professionals die studenten vanuit hun eigen omgeving niet vanzelf ontmoeten.

Tijdens de Week van Gelijke Kansen gebeurt dat onder meer met het programma NetwerkWijzer mbo. Eerstejaarsstudenten van Yonder Dienstverlening in Tilburg en MBO College Noord in Amsterdam oefenen deze week netwerkvaardigheden met professionals. Na een training brengen zij die vaardigheden meteen in de praktijk tijdens een bijeenkomst met mensen uit het werkveld. Ook andere activiteiten richten zich rechtstreeks op het mbo. Studenten van Yuverta mbo in Den Bosch oefenen met StageBooster vaardigheden die nodig zijn om een stage goed te beginnen en af te ronden. Op het ROC van Twente kregen studenten Verpleegkunde een debattraining.

Meer nodig dan motivatie

Het belang van begeleiding en contacten komt ook naar voren in de nieuwe JINC-whitepaper Wat jongeren verder helpt. Daarvoor legde de organisatie 32 gesprekken met jongeren, docenten, werkgevers en experts naast bestaand onderzoek. De whitepaper beschrijft zes factoren die jongeren helpen bij hun weg door onderwijs en werk: motivatie, begeleiding, werknemersvaardigheden, systeemvaardigheden, keuzeprocessen en ondersteuning bij overstappen. De rode draad is dat motivatie alleen niet voldoende is. Jongeren hebben ook ervaringen, toekomstperspectief en mensen nodig die uitleg geven, vertrouwen uitspreken of nieuwe mogelijkheden laten zien.

Talent zien en waarderen

Ook minister Rianne Letschert gaat deze week in een speciale podcast in op het mbo en gelijke kansen. Zij wijst onder meer op stagediscriminatie, financiële problemen en een gebrek aan passende begeleiding als mogelijke belemmeringen voor mbo-studenten. Onderwijsinstellingen, werkgevers en de overheid hebben volgens haar allemaal een verantwoordelijkheid om die drempels te verkleinen. Daarbij is ook de waardering voor het mbo van belang. Letschert pleit ervoor niet langer te spreken over hoog- en laagopgeleid, maar over een brede waaier aan opleidingsniveaus die elkaar aanvullen.

De cijfers over netwerken maken ondertussen duidelijk hoe praktisch het verschil tussen gelijke en ongelijke kansen kan zijn. Soms begint een betere start niet met een groot programma, maar met een docent, stagebegeleider of werkgever die een student aan de juiste persoon voorstelt.