AWTI: leg onderzoekstaak van het mbo wettelijk vast

Practoraten kunnen een belangrijke rol spelen bij innovatie in het bedrijfsleven en de publieke sector. Maar dan moeten zij wel een stevigere positie krijgen. De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) adviseert minister Letschert daarom om de onderzoekstaak van het mbo wettelijk vast te leggen en practoraten structureel te financieren.

De AWTI overhandigde het advies Praktisch bekeken – Kansen voor practoraten in het mbo maandag 12 oktober bij ROC Mondriaan aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Volgens de raad bevinden practoraten zich op een kantelpunt: de tijd van pionieren is voorbij.

Practoraten zijn expertiseplatforms binnen mbo-instellingen waar studenten, docenten en bedrijven samen praktijkonderzoek uitvoeren. Dat onderzoek kan gericht zijn op verbetering van het onderwijs, maar ook op vraagstukken uit een bepaalde branche of regio. Studenten werken bijvoorbeeld aan drijvende windmolens, zorgtechnologie of optische instrumenten voor satellieten.

Kennis naar de werkvloer

Volgens AWTI-voorzitter Mirjam van Praag leidt nieuwe kennis niet vanzelf tot toepassingen in de praktijk. Practoraten kunnen helpen de afstand tussen kennisontwikkeling en de werkvloer te verkleinen. ‘Praktijkonderzoek is een belangrijke schakel om de innovatiekracht van Nederland te versterken’, aldus Van Praag. De kennis en ervaring van vakmensen zijn volgens de raad onmisbaar bij grote maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie, woningbouw, voedselzekerheid en de toegankelijkheid van de zorg.

Bijna iedere mbo-instelling beschikt inmiddels over ten minste één practoraat. Toch moeten practoraten volgens de AWTI hun positie binnen en buiten de school nog te vaak bevechten. Ze zijn doorgaans klein, worden niet altijd als volwaardige onderzoekspartner erkend en hebben minder gemakkelijk toegang tot onderzoeksfaciliteiten en subsidies. Een belangrijke oorzaak is dat onderzoek, anders dan in het hoger onderwijs, geen wettelijke taak van het mbo is. Daardoor zijn mbo-instellingen en practoraten bij samenwerkingen en subsidieaanvragen vaak afhankelijk van andere partijen.

17 miljoen euro als ondergrens

Via de Werkagenda mbo is jaarlijks 25 miljoen euro beschikbaar voor practoraten en onderzoek in het mbo. Deze financiering loopt na een verlenging af in 2028. Vanaf 2029 wil OCW structureel 17 miljoen euro reserveren om de opgebouwde basis voort te zetten en uit te bouwen. De AWTI beschouwt die 17 miljoen euro als een ondergrens. Het geld moet volgens de raad als structurele basisfinanciering beschikbaar komen en niet worden verdeeld via tijdelijke programma’s of projecten. Dat moet practoraten zekerheid geven en voorkomen dat zij steeds opnieuw op zoek moeten naar financiering.

Naast deze basisfinanciering moeten practoraten toegang krijgen tot landelijke onderzoeksfondsen. De raad noemt onder meer regelingen van Regieorgaan SIA, ZonMw en het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs. Daarvoor moeten mbo-instellingen ook investeren in de kennis en capaciteit die nodig zijn om subsidieaanvragen te doen.

Samenwerking met lectoraten

In totaal doet de AWTI zeven aanbevelingen. Zo moeten OCW, de MBO Raad en de mbo-scholen een gezamenlijke visie ontwikkelen op onderzoek en innovatie in het mbo. Ook pleit de raad voor structurele samenwerking tussen practoraten en lectoraten in het hbo. Daarnaast moeten practoraten beter aansluiten bij regionale kennis- en innovatieagenda’s. Zo kunnen zij vraagstukken van bedrijven en maatschappelijke organisaties verbinden met onderzoek en onderwijs. De samenwerking moet bovendien helpen om onderzoeksresultaten breder toe te passen.

Binnen de mbo-scholen zelf kunnen practoren en docent-onderzoekers intensiever worden betrokken bij onderwijsontwikkeling. Ook zouden studenten en docenten meer ruimte moeten krijgen om aan praktijkonderzoek mee te doen. Daarmee dragen practoraten niet alleen bij aan innovatie, maar ook aan de kwaliteit en vernieuwing van het onderwijs.

Volwaardige kennispartners

Tot slot adviseert de AWTI overheden om praktijkkennis een grotere rol te geven bij het maken van beleid. Practoren moeten volgens de raad als volwaardige kennispartners kunnen deelnemen aan beleidstafels, klankbordgroepen en begeleidingscommissies. Zo kan bij plannen voor bijvoorbeeld zorg, klimaat en energie eerder worden vastgesteld of oplossingen ook op de werkvloer uitvoerbaar zijn.

Je kunt het advies Praktisch Bekeken – Kansen voor practoraten in het mbo hier downloaden