‘Erkenning zonder zeggenschap is geen rechtvaardigheid voor het mbo’

OPINIE | Het mbo wordt vaker geprezen, maar zelden serieus meegenomen in besluiten die ertoe doen. In dit ingezonden artikel betoogt Fadie Hanna, associate lector pedagogisch handelen in het mbo en toezichthouder in het mbo, dat waardering zonder zeggenschap leeg blijft. Echte rechtvaardigheid voor het mbo vraagt niet om mooie woorden, maar om macht, invloed en gelijkwaardige deelname.

Sinds het aantreden van minister Dijkgraaf is er hernieuwde aandacht voor de waarde van het mbo. Toch blijft rechtvaardigheid uit. Mbo-studenten worden uitgesloten van maatschappelijke diensten, hun politieke participatie blijft beperkt en het mbo-diploma fungeert nog altijd als tussenstation op weg naar ‘meer’. De waardering lijkt toegenomen, maar de maatschappelijke positie van het mbo is nauwelijks verschoven. Dat die situatie zo hardnekkig is, is geen toeval. Het belang van het mbo wordt steeds vaker erkend, maar zelden vertaald naar structurele veranderingen in zeggenschap. De Amerikaanse filosoof Nancy Fraser maakt duidelijk waarom dat problematisch is. Volgens haar ontstaat sociale rechtvaardigheid pas wanneer erkenning samengaat met herverdeling van zeggenschap: zeggenschap over hoe je als groep wordt gezien, waar je aan deelneemt en waarover je daadwerkelijk kunt meebeslissen. Zonder die herverdeling blijft erkenning vooral symbolisch en worden bestaande machtsverhoudingen bevestigd.

Inclusief blijkt exclusief

Uitspraken als ‘we hebben het mbo-talent nodig’ en ‘zij zijn de motor van de samenleving’ illustreren hoe waardering kan samengaan met een gebrek aan zeggenschap. Ze klinken inclusief, maar hebben een uitsluitende werking. Ten eerste reduceren dit soort formuleringen de waarde van mbo-gediplomeerden tot instrumenteel nut. Waardering wordt gekoppeld aan economische bijdrage, niet aan wie mensen willen worden. Het gaat daarbij vaak om werk dat maatschappelijk essentieel is, maar structureel laag gewaardeerd blijft: fysiek zwaar, sociaal onzichtbaar en slecht betaald, zoals in de bouw, de energietransitie en de zorg.

Erkenning krijgt zo een voorwaardelijk karakter. Zij geldt zolang dit werk nodig is en tegen relatief lage kosten kan worden uitgevoerd. Zodra dat nut ter discussie staat, verdwijnt ook de waardering. Dan keert het spreken over ‘melkertbanen’ terug, of – iets subtieler – over ‘banen met beperkte maatschappelijke baten’.

De zorg is een van de tekortsectoren die staat te springen om mbo-gediplomeerden. Maatschappelijk essentieel werk, maar structureel laag gewaardeerd.

Verhullende machtsverhoudingen

Ten tweede verhullen zulke uitspraken bestaande machtsverhoudingen. Ze suggereren dat anderen bepalen of mbo-gediplomeerden erbij horen, wanneer zij maatschappelijk meetellen en wanneer zij opnieuw kunnen worden buitengesloten. Dat blijkt bijvoorbeeld uit recente adviesrapporten over hoe Nederland de welvaart op peil kan houden, waarin voor mbo-studenten wordt bepaald hoe zij nuttig kunnen zijn. Mbo-gediplomeerden worden daarin niet gepositioneerd als mede-bepalers van wat telt, maar als object van sturing via beleid en interventies.

Waardering achteraf verhult gebrek aan eerlijke onderwijskansen vooraf

Ten derde maskeren deze uitspraken dat het mbo voor het overgrote deel van de studenten geen vrije keuze is. Het is zelden een route die bewust wordt gekozen, maar meestal het resultaat van vroege selectie, schooladviezen en ongelijke startposities. Waardering achteraf verhult zo een gebrek aan eerlijke onderwijskansen vooraf. Wie geen zeggenschap heeft over de eigen onderwijsroute, krijgt die ook niet vanzelf in maatschappelijke waardering.

Zolang erkenning niet gepaard gaat met zeggenschap over onderwijsroutes, arbeid en maatschappelijke participatie, blijft waardering voor het mbo symbolisch in plaats van rechtvaardig.

Dit artikel is geschreven door Fadie Hanna, associate lector pedagogisch handelen in het mbo aan de Hogeschool van Amsterdam en toezichthouder in het mbo. Reageren? Stuur dan je mail naar f.hanna@hva.nl.