Opinie | De roep om beter taal- en rekenonderwijs klinkt opnieuw luid. Het nieuwe kabinet wil blijven investeren. Binnen het mbo gaat een deel van die middelen naar het ontwikkelen en evalueren van interventies. Dat is begrijpelijk, vindt Fadie Hanna, associate lector pedagogisch handelen in het mbo aan de HvA en toezichthouder in het mbo. ‘In de politiek, maar ook in het onderwijs, leeft de overtuiging dat verbetering vooral gezocht moet worden in aantoonbaar effectieve ingrepen. Maar de vraag is of nóg een interventie ons werkelijk verder brengt.’
We weten dat interventiestudies zelden het ontbrekende antwoord bieden. Ze laten vooral zien dat iets onder specifieke omstandigheden effect heeft gehad, vaak van beperkte omvang. Ze zeggen veel minder over waarom dat zo is, voor wie het werkt en onder welke implementatievoorwaarden. Het mbo kent bovendien een grote diversiteit aan studenten, opleidingen en onderwijscontexten. Juist daardoor blijken interventies lastig overdraagbaar. Wat in de ene setting effect sorteert, vaak op kleine schaal, verdampt in een andere soms binnen korte tijd.
Daarnaast is er inmiddels een stevige kennisbasis. Het rapport Inventarisatie taalinterventies in het mbo (2025) en de leidraad Werken aan rekenen en gecijferdheid in het mbo (2025) beschrijven samen meer dan negentig interventies. Op basis van theoretische inzichten en empirische studies zouden mbo-instellingen in staat moeten zijn om evidence-informed keuzes te maken en het onderwijs gericht te versterken, zonder telkens nieuw interventieonderzoek te starten.
Bovendien liggen de oorzaken van de aanhoudende problemen rond de kwaliteit van het taal- en rekenonderwijs grotendeels niet in het onbekende. In de JOB-monitor (2024) is te lezen dat studenten deze lessen als weinig betekenisvol ervaren en onvoldoende begrijpen waarom deze vaardigheden ertoe doen voor hun opleiding of toekomstige beroep.
Een deel van het antwoord ligt daarom niet per se in nieuw interventieonderzoek, maar in het erkennen van eerdere ervaringen en in de kwaliteit van de docent-studentrelatie. Veel mbo-studenten dragen een geschiedenis mee waarin taal en rekenen vooral stonden voor falen, selectie of uitsluiting. Dat roept fundamentele vragen op. Voelen studenten zich gezien? Wordt duidelijk gemaakt waarom een vaardigheid ertoe doet in hun toekomstige beroep? Sluit de inhoud aan bij hun leefwereld en beroepsidentiteit?
Precies hier komt vakmanschap in beeld. Onderwijsverbetering vraagt niet alleen om goed ontworpen interventies, maar vooral om docenten die kennis kunnen wegen, bewuste keuzes maken en hun onderwijs afstemmen op hun studenten en context. Dat professionele pedagogisch-didactische handelen laat zich moeilijk vangen in een opschaalbare methodiek, maar bepaalt wel wat er daadwerkelijk in het mbo-klaslokaal gebeurt.
Wanneer er onderzoek wordt uitgevoerd, kan het daarom waardevol zijn om systematisch te leren van mbo-docenten die het al goed doen, in plaats van steeds een nieuwe interventie te ontwikkelen. Niet om hun aanpak één-op-één over te nemen, maar om collega’s in staat te stellen hun eigen handelen te wegen en te vertalen naar hun context. Duurzame kwaliteit ontstaat daar — niet uit nóg een interventie.
Dit artikel is geschreven door Fadie Hanna, associate lector pedagogisch handelen in het mbo aan de Hogeschool van Amsterdam en toezichthouder in het mbo. Reageren? Stuur dan je mail naar f.hanna@hva.nl.