Nieuwe cijfers onderstrepen belang gokpreventie in het mbo

Vmbo-leerlingen gokken vaker online voor geld dan vwo-leerlingen. Vooral onder 15- en 16-jarigen komt online gokken relatief veel voor. Nieuw onderzoek laat daarmee zien dat een deel van de jongeren al vóór de overstap naar het mbo kennismaakt met gokken. Voor mbo-scholen kan de start van de opleiding daarom een belangrijk moment zijn om studenten te informeren over de risico’s.

Van de leerlingen in vmbo-basis en -kader heeft 6,9 procent in het voorafgaande jaar online voor geld gegokt. In de gemengde en theoretische leerweg gaat het om 6,5 procent. Onder havisten is dat 4,9 procent en onder vwo-leerlingen 2,5 procent. Dat blijkt uit het nieuwe HBSC-onderzoek 2025 van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut. Voor het onderzoek zijn de antwoorden van ruim vijfduizend leerlingen van 12 tot en met 16 jaar geanalyseerd.

Vooral jongens gokken online

Gemiddeld heeft 5,1 procent van de ondervraagde middelbare scholieren in het voorafgaande jaar online gegokt. Bij jongens gaat het om 8,3 procent, tegenover 1,8 procent van de meisjes. Ook de leeftijd maakt verschil. Onder 12-jarigen bedraagt het aandeel 2,3 procent. Bij 15-jarigen is dat opgelopen tot 8 procent en bij 16-jarigen tot 7,6 procent. Sportweddenschappen zijn de meest voorkomende vorm, gevolgd door online casinospellen.

Ten opzichte van 2023 is het online gokken onder middelbare scholieren afgenomen. Toen gaf 6,7 procent aan in het voorafgaande jaar online te hebben gegokt. De afname is vooral zichtbaar onder jongens: van 11,4 naar 8,3 procent.

Ook minderjarige mbo-studenten gokken

Het HBSC-onderzoek gaat niet over mbo-studenten. De onderzoekers waarschuwen bovendien dat de cijfers voor 16-jarigen niet representatief zijn voor alle jongeren van die leeftijd, omdat ongeveer een derde van hen al op het mbo zit. Een afzonderlijk onderzoek van de Kansspelautoriteit geeft enig inzicht in die groep. Daarvoor zijn gegevens gebruikt van 29.724 deelnemers aan TestJeLeefstijl, een monitoringsinstrument van de MBO Raad. Van de minderjarige mbo-studenten in deze dataset gaf 28 procent aan in het voorafgaande jaar te hebben gegokt. Onder de volwassen studenten was dat 39 procent.

Deze percentages zijn niet rechtstreeks vergelijkbaar met de HBSC-cijfers. De mbo-studenten kregen vragen over alle vormen van gokken, waaronder krasloten, bingo en speelautomaten. HBSC keek uitsluitend naar online gokken voor geld. Van de minderjarige mbo-studenten die gokten, deed 48 procent dat alleen op een fysieke locatie en 30 procent uitsluitend online. Zeven procent van alle ondervraagde minderjarige mbo-studenten gokte maandelijks of vaker. Van de gokkers deed ruim de helft mee aan ten minste één van de volgens onderzoekers meest risicovolle vormen: casinospellen, sportweddenschappen of speelautomaten.

De Kansspelautoriteit benadrukt dat de uitkomsten niet representatief zijn voor alle mbo-studenten. Scholen kiezen zelf welke onderdelen van TestJeLeefstijl zij afnemen en de deelnemers vormen geen landelijke steekproef.

Aandacht voor gokpreventie rond de overstap

De onderzoeken laten niet zien waardoor vmbo-leerlingen en mbo-studenten gaan gokken. Wel maken de cijfers duidelijk dat gokken voor een deel van de jongeren al vóór hun achttiende verjaardag begint. De overgang van het vmbo naar het mbo is daarom een logisch moment om studenten te informeren over de risico’s. Dat geldt ook voor het moment waarop studenten achttien worden en zij legaal toegang krijgen tot kansspelen. Scholen kunnen de gokmodule van TestJeLeefstijl gebruiken om het gedrag binnen hun eigen studentenpopulatie te signaleren en het gesprek over gokken te voeren.