COLUMN | Stel je voor. Je hebt jarenlang gewerkt. Je bouwt iets op, verdient een goed salaris, betaalt iedere maand netjes je premies vanuit je salaris. Niet omdat je daar direct iets voor terugkrijgt, maar omdat je gelooft in het idee dat we het samen doen. Dat er een vangnet is, voor als het tegenzit.
En dan zit het tegen.
Je verliest je baan. Niet uit keuze, maar door omstandigheden. Gelukkig is daar nog dat vangnet waar je al die jaren aan hebt bijgedragen. Maar terwijl jij bezig bent om je leven opnieuw vorm te geven, besluit iemand anders dat dat vangnet minder waard is geworden. Korter. Lager. Minder zeker.
Dat is geen doemscenario. Dat is de realiteit van de plannen uit het huidige regeerakkoord.
De Werkloosheidswet (WW), ooit bedoeld als stevige tijdelijke bescherming, wordt teruggebracht van 24 naar 12 maanden als het aan dit kabinet ligt. De uitkering zelf gaat omlaag, mede door aanpassingen van het maximum dagloon. Waar je jarenlang voor hebt betaald, wordt eenzijdig uitgekleed. Niet alleen voor toekomstige gevallen, maar ook voor mensen die er nu al in zitten. Mensen die hun financiële situatie hebben ingericht op basis van regels die tijdens de rit worden veranderd.
Wat betekent dat concreet? Dat mensen die al kwetsbaar zijn, nóg kwetsbaarder worden gemaakt. Dat bestaanszekerheid geen gegeven meer is, maar een onzeker privilege.
Nederland stond ooit bekend als een verzorgingsstaat. Een land waar solidariteit geen loze kreet was, maar een systeem. Waar we accepteerden dat het leven soms anders loopt, en dat je dan niet direct in de problemen hoeft te komen. Die gedachte lijkt steeds verder naar de achtergrond te verdwijnen.
Want laten we eerlijk zijn: de groep mensen die afhankelijk is van sociale zekerheid groeit. Het aantal leraren die in de WW komen, door bijv. ontslagen en fusies, stijgt! Door flexibilisering, door economische onzekerheid, door een arbeidsmarkt die niet voor iedereen gelijke kansen biedt. En juist op dat moment kiest de overheid ervoor om te bezuinigen op het vangnet dat deze mensen nodig hebben.
Dat schuurt. Omdat het niet alleen gaat over cijfers, maar over mensen. Over huur die betaald moet worden. Over boodschappen die duurder worden. Over gezinnen die zich afvragen hoe ze de maand doorkomen.
Binnen het mbo kennen we gelukkig nog bovenwettelijke regelingen bij werkloosheid. Een aanvulling op de WW, die zowel de hoogte als de duur verbetert. In sommige gevallen is er zelfs verlenging richting de pensioenleeftijd. Dat maakt het verschil. Maar hoe die regelingen zich gaan verhouden tot de landelijke afbraak, is nog onzeker. Werkgevers in het mbo zullen daar een belangrijke rol in spelen.
Als vakbond vinden wij één ding helder: deze verslechteringen moeten van tafel. We kunnen niet accepteren dat mensen betalen voor zekerheid die vervolgens wordt afgebroken op het moment dat ze die het hardst nodig hebben. De komende tijd zullen we ons daar dan ook stevig voor inzetten. Met alle middelen die we hebben.
Maar we kunnen het niet alleen. We hebben de steun van werkend Nederland nodig. Want uiteindelijk geldt voor ons allemaal: werkloosheid overkomt niet alleen jou. Het kan iedereen treffen.
En als dat moment komt, hoop je maar één ding. Dat het vangnet er nog is. En dat het sterk genoeg is om je op te vangen.
Tussen al deze zorgen door is er ook een lichtpunt. De cao-onderhandelingen in het mbo zijn begonnen. Op 24 maart zijn de inzetbrieven uitgewisseld. De huidige cao is verlopen, maar stilzwijgend verlengd. Dat geeft ruimte, maar ook urgentie.
Laten we hopen dat we er voor de zomer uitkomen. En dat we, waar het landelijk misschien afbreekt, binnen onze sector juist iets opbouwen. Iets dat recht doet aan de mensen die elke dag het verschil maken in het onderwijs.
Want als de overheid het laat afweten, dan moeten wij het samen doen.