Willen we het mbo wel écht gelijk waarderen? 

Tijdens de afgelopen verkiezingen hoorde je politici overal lovende woorden spreken over het mbo en vakmensen: Het mbo is belangrijk, verdient meer waardering en is onmisbaar voor onze samenleving. Dat zijn mooie woorden, en eerlijk is eerlijk: ze kloppen ook. Maar na die verkiezingen, zodra de aandacht verschuift, merken studenten daar in de praktijk nauwelijks iets van.  

Want als we verder kijken dan die woorden, dringt zich al snel een ongemakkelijke vraag op: wat is er sinds die beloftes nu eigenlijk concreet veranderd? In het regeerakkoord staan opnieuw zinnen over het versterken van het mbo en het beter waarderen van praktisch opgeleiden, maar hoe dit daadwerkelijk wordt aangepakt, blijft vaag en weinig concreet. Wie kijkt naar de praktijk ziet dat die gelijkwaardigheid nog altijd ver te zoeken is. Je vindt het niet terug in beleid, niet in beeldvorming en ook niet in het onderwijs zelf, waar die ongelijkheid soms zelfs actief wordt doorgegeven aan een nieuwe generatie studenten. 

Zo kreeg ik laatst een stuk doorgestuurd uit een lesboek dat gebruikt wordt op een hbo-opleiding, waarin de arbeidsmarkt wordt uitgelegd aan de hand van het zogenoemde segmentenperspectief. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen een primair segment met goede salarissen, vaste contracten en doorgroeimogelijkheden voor ‘hoogopgeleiden’, en een secundair segment met lagere lonen, minder zekerheid en zwaarder werk voor ‘laagopgeleiden’. Wat hier impliciet wordt meegegeven, is dat mbo-opgeleiden thuishoren in dat tweede, minder gewaardeerde en minder kansrijke deel van de arbeidsmarkt. 

Het is precies dit soort ogenschijnlijk kleine, alledaagse voorbeelden die laten zien hoe diep ongelijkheid verankerd zit in ons systeem. Deze voorbeelden lijken misschien klein, maar hebben juist grote impact op hoe studenten naar zichzelf en hun toekomst kijken. Niet alleen in grote politieke keuzes, maar juist ook in de aannames die we normaal zijn gaan vinden, in het materiaal dat wordt gebruikt in het lesgeven en in de manier waarop we spreken over verschillende opleidingsroutes. Tegen die achtergrond is het dan ook weinig verrassend dat het beeld van het mbo hardnekkig negatief blijft. 

Tegelijkertijd zien we dat mbo-studenten nog steeds minder rechten hebben op financiële ondersteuning vanuit de overheid dan studenten in het hbo en wo. Dat is geen technisch detail of een toevallige uitkomst van beleid, maar een structureel verschil dat laat zien hoe we verschillende groepen studenten waarderen. Daarnaast lopen mbo-studenten ertegenaan dat zij minder mogelijkheden hebben om bijvoorbeeld een bestuursjaar te doen en dat zij nog steeds te maken krijgen met discriminatie op basis van hun opleidingsrichting. Het roept dan ook een fundamentele vraag op: hoe kan de overheid, in het licht van dit soort voorbeelden, blijven volhouden dat er sprake is van gelijkwaardigheid tussen onderwijsroutes? 

Als we gelijkwaardigheid serieus nemen, dan vraagt dat om meer dan mooie woorden in verkiezingstijd. Het betekent dat we kritisch durven kijken naar de systemen die ongelijkheid in stand houden, dat we ons afvragen waarom mbo-studenten structureel minder ondersteuning krijgen en dat we het gesprek aangaan over lesmateriaal en denkbeelden waarin bepaalde groepen automatisch onderaan de ladder worden geplaatst. 

Laatst was ik op het Summa College om met mbo-studenten in gesprek te gaan, en juist in die gesprekken wordt zichtbaar wat in veel discussies over ongelijkheid onderbelicht blijft. Je ziet studenten die met trots werken aan hun vak, die precies weten wat ze willen maken, bouwen of verzorgen en die met energie en vakmanschap bezig zijn met hun toekomst. Het zijn jongeren die niet vragen om medelijden of symbolische waardering, maar om een eerlijke kans om te laten zien wat ze kunnen. 

Het wordt daarom tijd dat we stoppen met het herhalen van mooie woorden over waardering voor het mbo, en beginnen met het daadwerkelijk waarmaken daarvan. Niet alleen in verkiezingstijd, maar structureel, in beleid, in onderwijs en in de manier waarop we dagelijks over het mbo spreken. Want zolang die stap niet wordt gezet, blijft die ene vraag onvermijdelijk terugkomen: willen we het mbo wel écht gelijk waarderen?