Niet-mbo’ers voeren nog te vaak het mbo-debat 

OPINIE | Het debat over het mbo wordt nog te vaak gevoerd door mensen die zelf nooit mbo’er zijn geweest, of dat allang niet meer zijn. En dat is problematisch. 

Of het nu gaat om vertegenwoordigers in overleggen of opiniemakers in de media: het echte mbo-geluid blijft meestal onhoorbaar. Zie je een stropdas, een merkelruit voor de borst, of hoor je woorden als ’transitiepaden’ en ‘kaders scheppen’? Dan weet je dat je mijlenver van het echte mbo-geluid verwijderd bent. 

Tijdens de coronacrisis verveelde ik me vooral, los van de illegale huisfeestjes. Een online jongerenwerker die ik van stage kende, stuurde af en toe een “Hoe is het?” of “Fijne feestdagen”. Midden in de lockdown vroeg ze ineens of ik wilde meedenken over het mbo. Ik had geen idee wat “meedenken” inhield, maar uit verveling zei ik: “Kan op zich.” 

Na de eerste editie van de mbo-denktank werd ik ook op haar aanraden voorzitter van JOB MBO en later de eerste mbo’er in het Europees Parlement. In mijn eerste vergaderingen met overheden en lobbyclubs merkte ik al snel dat bijna iedereen, behalve ik, ervaring had in medezeggenschapsraden. Het taalgebruik was nauwelijks te volgen en erg irritant. 

Toch wilde ik niet “anders” overkomen, dus probeerde ik me aan te passen. Iedereen droeg een overhemd, dus ik ook, al vond ik dat niet leuk. Tijdens een spoedoverleg over corona moest iedereen iets zeggen. Toen de minister vroeg wat voor mij belangrijk was, hoorde ik iemand “maatwerk” noemen. Bij mijn beurt zei ik daarom ook maar “maatwerk!”, zonder te weten wat het betekende. De minister gaf licht applaus. 

Na honderden van dit soort overleggen viel me iets op: containerbegrippen zoals ‘verbinding’ of de gniffelknik als groet functioneren in de bestuurlijke en politieke scène als geurvlaggen. Ze laten zien wie erbij hoort, en vooral wie niet. 

Het duurde even voordat ik doorhad dat ik juist in het begin, toen ik nog niet alles begreep, andere ideeën en taal had, mijn eigen kleding droeg en mijn pet gewoon ophield, het mbo eerlijker vertegenwoordigde dan in de periode waarin ik me overal in probeerde te voegen. Paradoxaal genoeg was die onwennigheid het meest herkenbare en daarmee het meest representatief. 

Vandaag de dag zie ik in de eerste instantie nog te vaak mensen praten over het mbo die er zelf nooit deel van uitmaakten. Daarnaast is er een groep die wél mbo’er is geweest, maar van de wereld veranderd is – daar reken ik mezelf ook toe – en daardoor vaak een communicatieve, maar ook inhoudelijke stijlbreuk krijgt met de oorspronkelijke achtergrond. 

Hierdoor zoeken veel mbo’ers en praktisch geschoolden hun toevlucht tot extreme of minder effectieve kanalen om gehoord te worden, of haken helemaal volledig af. Daarom moeten alle mbo-vertegenwoordigers zich minder conformeren en hun eigenheid bewaren.  

Draag een pet, sneakers of je gekke trui als je dat wilt, en snap je iets niet of vind je iets, zeg het hardop. Ook kan een parttime baan in een praktische tekortsector daarbij helpen. Alleen zo ontstaan vertegenwoordigers in wie de hele doelgroep zich herkent, en lijkt het, zoals mijn huidige collega’s op de vuilniswagen zeggen, niet allemaal ‘één pot nat’. 

Quin Blokzijl is vuilnisman & opiniemaker

Lees ook: Van het Europarlement naar de vuilniswagen: praktisch geschoolden verdienen meer erkenning, vindt Quin Blokzijl | Trouw