COLUMN | Een groot deel van onze werktijd zijn wij als docenten bezig met het plaatsen van dingen in systemen. Zo hebben we natuurlijk het systeem waar ook de studenten in werken. Wij zetten daar alle informatie en inleveropdrachten in. Vervolgens leveren de studenten in dat systeem weer hun opdracht in, waarna wij er ook in nakijken. Daarnaast hebben we een publicatiesysteem. Het is hetzelfde systeem dat de NOS gebruikt, dus het is lekker praktijkgericht. Communiceren doen we via de mail (en WhatsApp). De studenten houden een eigen archief bij in OneDrive. Ik heb zelf nog een Excelletje – omdat ik dat prettig vind – waar alles instaat dat ik niet moet vergeten over mijn studenten. Presentie en gespreksnotities zitten in een systeem achter het systeem. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik denk dat veel docenten zich hierin herkennen.
Vandaag ben ik bezig met een roosterpuzzel. Dat is natuurlijk wéér een ander systeem, maar dat heb ik aardig onder de knie. We moeten bedenken hoe we het volgend jaar willen doen. Veel is hetzelfde als dit jaar, dus we kunnen misschien wel veel overnemen.
Ineens komt een collega glimlachend binnen met een student die zijn hand hooghoudt. ‘Marije, ik heb een zwaargewonde student voor je.’ Ik ben één van de bhv’ers, dus gewonde mensen komen bij mij. De student heeft een hele kleine splinter in zijn hand, die we er met een pincet wel uit zullen krijgen. De EHBO-koffer biedt hulp. Terwijl ik me concentreer op het kleine puntje op zijn vinger, zie ik dat de gewonde student bleek wordt en het blijkbaar zwaarder ervaart dan ik had verwacht. ‘Gaat het wel?’ vraag ik hem bezorgd. ‘Als ik je pijn doe, moet je het zeggen.’ ‘Het doet niet echt zeer’, vertelt hij me, ‘maar ik krijg flashbacks naar vroeger.’ Tsja, dat kan natuurlijk goed. Splinters had je als klein kind heel vaak, dus een splinter doet je aan vroeger denken. Het is me niet helemaal duidelijk of deze flashbacks vrolijk zijn voor hem of juist niet. Ik besluit er oppervlakkig naar te vragen. Als hij geen zin heeft om erover te praten, dan hoeft het niet.
Tien minuten later is hij de deur uit, weer met kleur op zijn wangen en met een splintervrije vinger. Ik stort me nog eens op de roostersystemen. Wie kunnen we wanneer op welke lessen zetten? Om dit goed te kunnen doen, moet ik in het systeem kijken waar de plannen van inzet (pvi’s) van het hele team staan. Waar stond dat ook alweer?
‘Ik zet deze jongedame even bij jou.’ Mijn collega komt opnieuw binnen met een student. ‘Ze heeft net wat ruzie gemaakt. Wil jij alvast even met haar praten? Dan zoek ik de andere studente.’ Als ik het meisje vraag wat er is gebeurd, blijkt ze nog duidelijk van slag. Het was niet ernstig, maar het gebeuren heeft duidelijk wel impact op haar. Als ook het andere meisje erbij is gekomen, weten we de gemoederen te sussen en lopen de twee samen door één deur naar buiten en kijk ik (drie kwartier later) weer naar de pvi’s van de collega’s. We hebben een paar weken geleden vergaderd over de taken die volgend jaar vervuld moeten worden. Sommigen wilden niet meer dezelfde taken als dit jaar en er waren ook wat taken bijgekomen. De notulen van de vergadering staan in de OneDrive, dus ook die zoek ik erbij.
De pvi’s, de notulen en de conceptroosters staan keurig naast elkaar op mijn scherm, als één van mijn ‘mentorkinderen’ binnenloopt. ‘Heb je misschien even voor mij?’ ‘Eigenlijk niet’, hoor ik mezelf denken en ik wil het net hardop zeggen als de student al verdergaat. ‘Mijn tante had kanker en is zojuist overleden.’ Dit kan natuurlijk niet wachten. Ik schuif mijn stoel naar achteren en wijs naar een tweede stoel waar de student op neerploft en de tranen laat lopen. Ook dit gaat voorbij en ik zet de doos met tissues tien minuten later weer in de kast. Hij is bijna leeg en ik maak een mentale notitie dat we nieuwe moeten bestellen in het inkoopsysteem.
En dan glitcht mijn brein van alle systemen die ik maar niet in mijn systeem krijg. Ik maak me druk met en om alle systemen, waar alles dat ons moet helpen bij ons werk instaat of ingezet moet worden. Terwijl het eigenlijke werk zich tussen al die systemen door laveert. Studenten begeleiden en coachen. In geen enkel systeem staat ‘splinters uithalen’, ‘ruzies bijleggen’ of ‘tranen wegvegen’, maar toch zijn dat misschien wel de belangrijkste taken van een docent. Daar zou veel meer van onze tijd naartoe moeten gaan.
Zijn die andere systemen dan niet belangrijk? Vast en zeker. Toch kan ik me nog niet helemaal onttrekken aan het idee dat we misschien wat minder moeten vastleggen, notuleren, verantwoorden, borgen, beschrijven en structureren, zodat we wat meer tijd overhouden om onze studenten in de ogen te kijken. Alle ondersteunende en controlerende systemen zijn zo in ons schoolsysteem gaan zitten dat het een systeem op zich is geworden, maar ik geloof dat we daar systematisch verandering in moeten brengen. Hoe? Daar moeten we misschien dan ook maar weer een systeem voor ontwikkelen. Nu moet ik eerst even in het bhv-systeem schrijven dat de handschoenen in de EHBO-koffer op zijn zodat niemand misgrijpt bij een spiksplinternieuwe splinter.