COLUMN | Vanaf komend studiejaar wordt burgerschap een volwaardig onderdeel van het mbo-curriculum. Mbo-studenten leren dan expliciet om te gaan met dilemma’s rond vrijheid van meningsuiting, gelijke behandeling en democratische waarden. Het doel is helder: studenten opleiden tot kritische, betrokken en verantwoordelijke burgers. Een nobel streven waar je moeilijk tegen kunt zijn.
Toch kun je je, net als de voorzitter van de MBO Raad, afvragen waarom dit soort verplichtingen alleen gelden voor het mbo.
Een antwoord kan zijn dat burgerschapscompetenties in het hoger onderwijs al geïntegreerd aan bod komen binnen de opleidingen. Zo leert een student Bedrijfskunde niet alleen hoe je ROI’s uitrekent, maar ook hoe je omgaat met maatschappelijke verantwoordelijkheid en ethische dilemma’s. Dat klinkt logisch. Maar als dat het argument is, waarom geldt dat dan niet voor het mbo?
Want ook mbo-studenten leren tijdens hun opleiding na te denken over morele en maatschappelijke vraagstukken. De invulling verschilt uiteraard per opleiding, maar dergelijke dilemma’s zijn een vast onderdeel van de beroepsvorming. Studenten Verpleegkunde maken afwegingen tussen de zelfstandigheid van een patiënt en goede zorg. Toekomstige beveiligers balanceren tussen veiligheid, privacy en gelijke behandeling. En pedagogisch medewerkers leren hoe zij kunnen bijdragen aan een inclusieve omgeving waarin ieder kind zich gezien voelt. Burgerschap is daar geen apart vak; het is verweven met de beroepspraktijk.
Maar zelfs als burgerschap in het hoger onderwijs al in het curriculum is verankerd, is het de vraag of zo’n onderscheid tussen mbo en hoger onderwijs wel terecht is. Het is namelijk ook niet zo dat het hoger onderwijs automatisch kritische, betrokken en verantwoordelijke burgers aflevert. Zo laten CBS-cijfers zien dat veel vrouwelijke studenten te maken krijgen met seksueel grensoverschrijdend gedrag van mannelijke medestudenten en dat studenten van kleur zich buitengesloten voelen vanwege hun achtergrond, uiterlijk of overtuigingen door witte medestudenten.
Daarbij weten we ook uit een aantal laboratoriumonderzoeken dat mensen uit “hogere sociaaleconomische klassen” gemiddeld vaker onethisch gedrag vertonen in de vorm van liegen, valsspelen en het goedpraten van onethisch handelen, terwijl ander onderzoek erop wijst dat mensen uit “lagere sociaaleconomische klassen” gemiddeld meer empathie tonen en eerder geneigd zijn anderen te helpen. Er valt vast het nodige aan te merken op dit soort studies, maar ook deze wijzen erop dat een hbo- of wo-opleiding op zichzelf geen garantie is voor goed burgerschap.
Juist daarom kan de keuze om alleen mbo-studenten expliciet aan burgerschap te onderwerpen als oneerlijk voelen. Alsof deze groep eerst nog moet bewijzen een goede burger te zijn. Voor studenten in het hoger onderwijs lijkt dat veel vanzelfsprekender. Merry en Driessen waarschuwden daar in hun essay ‘Waarom de elites houden van burgerschap’ uit 2018 al voor. Volgens hen richt burgerschapsonderwijs zich veel vaker op groepen die nog zouden moeten aantonen dat zij ‘goede burgers’ zijn, waar de academische en politieke elites die het beleid vormgeven zichzelf juist zelden toe rekenen.
Hiermee is niet gezegd dat burgerschap minder belangrijk is. Integendeel. In een samenleving met gevaren als polarisatie, desinformatie en sociaaleconomische tegenstellingen is aandacht voor burgerschap belangrijker dan ooit. Maar als burgerschap zo fundamenteel is voor het behoud van onze democratie, wees dan consequent en voer het in voor alle studenten. Doe je dat niet, dan moet je niet verbaasd opkijken als de vraag keer op keer terugkomt: Waarom alleen burgerschap voor mbo-studenten?
Dit artikel is geschreven door Fadie Hanna, associate lector pedagogisch handelen in het mbo aan de Hogeschool van Amsterdam en toezichthouder in het mbo. Reageren? Stuur dan je mail naar f.hanna@hva.nl.