Mbo-docenten pleiten voor onderwijsregister

Zoals vrijdag al te lezen was op deze nieuwssite, maakt het lerarenregister veel los onder leraren. Ook de Beroepsvereniging Docenten MBO (BVMBO) heeft diverse kanttekeningen bij het concept wetsvoorstel.

De BVMBO voelt zich zeer betrokken bij de ontwikkeling van het register. De beroepsvereniging voor mbo-docenten heeft op verschillende manieren geparticipeerd in de ontwikkeling van het wetsvoorstel voor het register, waarin elke docent vanaf 2017 verplicht geregistreerd moet staan. Het ministerie van OCW, de staatssecretaris van Onderwijs en andere stakeholders zag de BVMBO als een belangrijke gesprekspartner, een spreekbuis voor de mbo-docenten. Die positie stelt de vereniging zeer op prijs, zo is te lezen in een brief die 5 februari aan het ministerie werd verstuurd. Echter: ‘Dat laat onverlet dat wij van mening zijn dat het voorliggende concept zeker nog aan kwaliteit voor het mbo kan winnen.’

Onderwijsregister
Vervolgens voert de BVMBO enkele punten van verbetering op. Allereerst een wijziging van het begrip ‘lerarenregister’ in ‘onderwijsregister’. ‘Het onderwijs in het mbo wordt nadrukkelijk in gezamenlijkheid verzorgd door een onderwijsteam’, stelt de BVMBO. ‘Dat is een belangrijk kenmerk van het mbo-onderwijs. In zo’n team werken niet alleen docenten maar ook instructeurs. Zij werken intensief samen aan het beste onderwijs. Instructeurs zijn vaak mensen uit de beroepspraktijk die waardevolle beroepsexpertise inbrengen in het onderwijs. Het belang van goede instructeurs in het mbo blijkt ook uit het feit dat er een beroepsprofiel wordt ontwikkeld voor instructeurs. De BVMBO pleit ervoor om iedereen met een rechtstreekse betrokkenheid bij het onderwijs, te beginnen met de instructeurs, op te nemen in één onderwijsregister, in een speciaal daarvoor ingerichte kamer.’

Vijf vragen, vijf antwoorden
In de brief reageert de BVMBO verder op de vijf vragen die gesteld worden bij internetconsultatie. Hieronder zetten we de vragen en antwoorden op een rijtje:


Denkt u dat met het voorgestelde wettelijk verplichte lerarenregister leraren adequaat worden gestimuleerd om stelselmatig te werken aan hun professionele ontwikkeling?

Reactie BVMBO:
‘Jazeker! De mbo-docent stelt het op prijs dat er erkenning komt voor zijn inspanningen om zich als professionele beroepsbeoefenaar blijvend te ontwikkelen. Daar past echter een kanttekening bij. De mbo-docent heeft in feite twee beroepen: het beroep van docent en het beroep dat past bij het beroepenveld waarvoor hij studenten opleidt. Het succes van de mbo-studenten op de arbeidsmarkt wordt voor een belangrijk deel bepaald door het vakmanschap van de docent. Een succesvolle mbo-docent kent zijn vakgebied door en door en is op de hoogte van de actuele ontwikkelingen in zijn beroepenveld. Studenten raken geïnspireerd door een bevlogen vakman, iemand die vol passie een student kan begeleiden in de ontwikkeling van diens vakmanschap. Een patissier die de fijne kneepjes van het vak overbrengt op de leerling-kok. Of de verpleegkundige die zijn kennis en praktijkervaring over brengt op de leerling-verzorgende. Deze cruciale expertise is niet te vangen in een bevoegdheid, en is daarmee niet zonder meer vast te leggen in een register.

Wij pleiten er daarom voor om de verantwoordelijkheid voor de kwaliteitsbewaking van de vakinhoud (gericht op de beroepenveld) te beleggen bij docenten uit de betreffende beroepenveld. Dat zou in de vorm van een mbo-specifieke afspraak opgenomen kunnen worden in de wetgeving rond het register, in een variant op hetgeen hierover is bepaald voor vo-docenten (tenminste 40 uur vakgerichte scholing). Deze invulling doet bovendien recht aan een ander groot onderscheid tussen docenten in het mbo en het po/vo: docenten in het mbo kennen in beginsel een brede inzetbaarheid. Een docent in het vo is uitsluitend bevoegd voor het geven van zijn eigen vak. Een docent in het mbo daarentegen, is in principe bevoegd voor het geven van alle voorkomende vakken. Door het accent in de professionaliseringsactiviteiten te verleggen naar beroepenveldgerichte activiteiten, krijgt een mbo-docent de mogelijkheid, maar ook de verplichting, om zich breder te scholen. Op deze manier kan de scholing ook bijdragen aan evenwichtige ontwikkeling van het team als geheel. Cruciaal gezien de teamgerichte wijze waarop het onderwijs in het mbo is ingericht!’


Denkt u dat de drie elementen van het wetsvoorstel – lerarenregister, omschrijving van het beroep en professionele ruimte – bijdragen aan versterking van de positie van leraren in de school?

Reactie BVMBO:
‘De BVMBO is van mening dat combinatie van de drie elementen uit het wetvoorstel, mits gehoor wordt gegeven aan de gewenste mbo-specifieke aanpassingen zoals aangegeven door de verschillende stakeholders, het eigenaarschap voor de kwaliteit van het onderwijs terug zal leggen bij de onderwijsprofessionals. Dat is een ontwikkeling die niet alleen recht doet aan de positie van de onderwijsgevenden in de school, maar die ook het maatschappelijk aanzien van de docenten, en –minstens zo belangrijk- de kwaliteit van het onderwijs in het algemeen ten goed zal komen.’


Denkt u dat met het zichtbaar maken van de mate waarin onderwijs wordt gegeven door leraren die nog aan de bekwaamheidseisen moeten voldoen, in het voortgezet onderwijs voldoende stimulans ontstaat om het onbevoegd lesgeven terug te dringen?

Reactie BVMBO:
‘De BVMBO ondersteunt het kwaliteitsstreven dat ten doelstelling ligt aan de invoering van het register. In het voortgezet onderwijs zal het register zeker een bijdrage kunnen leveren aan het terug dringen van de inzet van onbevoegden.’


Ziet u de opname van de artikelen die zien op de vorm en inhoud van het lerarenregister in de Wet op het onderwijstoezicht als passend?

Reactie BVMBO:
‘Anders dan het po en het vo valt het mbo-onderwijs sinds 2009 onder de Wet op de Ondernemingsraden. Gelijktijdig is de zeggenschap van docenten over de inhoud van het onderwijs vastgelegd in het Professioneel Statuut. Dit statuut stelt dat ‘Voor medewerkers die betrokken zijn bij het directe onderwijsproces geldt dat onderwijs geven in hoge mate teamwerk is.’ en ‘In het mbo is het onderwijsteam de basis organisatorische eenheid.’ (Professioneel Statuut 3 resp. 7i). De invulling van het onderwijs door het onderwijsteam als basis voor de uitvoering, is door de sector omarmd. Professionalisering van de onderwijsteams is een ontwikkeling die door de BVMBO zeer wordt toegejuicht. De wettekst hierover dient deze ontwikkeling te stimuleren en te faciliteren. De BVMBO is van mening dat in de wet opgenomen moet worden dat, indien er sprake is van een Professioneel Statuut, dit prevaleert.’


Op basis van welke aanduiding van hun positie kan dit voorstel het beste recht doen aan de zij-instromers in het mbo?

Reactie BVMBO:
‘De positie van zij-instromers in het mbo wijkt wezenlijk af van die van zij-instromers in het vo. Zij-instromers in het mbo zijn in het algemeen zeer waardevolle, ervaren vakkrachten die (nog) niet beschikken over een lerarenbevoegdheid. Echter, zij brengen door onze studenten zéér gewaardeerde actuele vakkennis in, maar niet alleen dat: zij zijn ook in staat om de beroepscultuur in te kleuren. Factoren die allesbepalend zijn voor het arbeidsmarktsucces van onze studenten en daarmee van onschatbare waarde. Deze ervaren vakkrachten brengen bovendien het netwerk uit hun bedrijf of instelling met zich mee en vormen daarmee tevens de onmisbare schakel tussen onderwijs en bedrijfsleven. Een situatie die onvergelijkbaar is met die van zij-instromers in het vo. Zij-instromers worden door het bestuur van een mbo-instelling op hun merites beoordeeld en vervolgens door middel van een geschiktheidsverklaring tijdelijk bevoegd verklaard voor het geven van onderwijs gedurende de periode dat ze in opleiding zijn voor het behalen van de bevoegdheid. Voor de onderwijsinspectie tellen de lessen van deze docenten mee als onderwijstijd. Het zou daarom tegenstrijdig zijn om deze docenten niet op te nemen in het register.

Tewerkstelling met een meldplicht, zoals nu in de plannen is opgenomen, heeft een negatieve connotatie en doet bovendien geen recht aan het gegeven dat het hier gaat om docenten wier lessen meetellen als gelegitimeerde onderwijstijd. De BVMBO pleit daarom voor een voorportaal van het register, het zogenaamde aspirantenregister, voor zij-instromers gedurende hun opleiding.
De BVMBO pleit er daarom voor om door het bestuur van de onderwijsinstelling tijdelijk geschikt bevonden docenten zoals zij-instromers en andere docenten die aantoonbaar in opleiding zijn te registreren in een voorportaal van het register: het aspirantenregister.’