Mbo-docenten die Nederlands, rekenen of burgerschap geven, moeten straks aan aanvullende opleidingseisen voldoen. Na kritiek uit het onderwijs heeft OCW het wetsvoorstel op verschillende punten aangepast. Zo komt er meer ruimte voor maatwerk en krijgen zittende docenten langer de tijd om aan de eisen te voldoen.
Met de nieuwe wet wil het ministerie van Onderwijs de kwaliteit van het onderwijs in de basisvaardigheden versterken. Docenten die beschikken over een eerste- of tweedegraads lerarenopleiding in het betreffende vak voldoen straks direct aan de eisen. Andere docenten moeten mogelijk een aanvullend scholingstraject volgen. Dat traject wordt gericht op de vakinhoud en vakdidactiek van Nederlands, rekenen of burgerschap en omvat maximaal 30 studiepunten.
Nu bepalen mbo-scholen nog zelf of een docent voldoende bekwaam is om een van deze vakken te geven. Dat doen zij op basis van de opleiding en werkervaring van de docent.
Meer ruimte voor maatwerk
Tijdens een internetconsultatie in 2025 kwamen 68 reacties binnen van onder anderen docenten, lerarenopleiders, bestuurders en belangenorganisaties. De meeste deelnemers onderschreven het belang van goed opgeleide docenten, maar vroegen ook om maatwerk. Daarnaast waren er zorgen over de personeelstekorten en de haalbaarheid van de scholing naast het werk.
Naar aanleiding van deze reacties heeft OCW het voorstel op verschillende punten aangepast. Zo wordt per docent bekeken welke aanvullende scholing daadwerkelijk nodig is. Eerder opgedane kennis, werkervaring en gevolgde professionalisering kunnen daarbij worden meegewogen. Het document waarin de benodigde scholing wordt vastgelegd, gaat geen ‘geschiktheidsverklaring’ maar een ‘scholingsverklaring’ heten.
Ook krijgen alle docenten die bij de invoering van de wet al bij een mbo-instelling werken zes jaar de tijd om aan de nieuwe eisen te voldoen. Aanvankelijk gold een termijn van vijf jaar en zou de overgangsregeling alleen beschikbaar zijn voor docenten die recent al lesgaven in een basisvaardigheid.
Vrijstellen voor pabo-opgeleide docenten
Docenten met zowel een pabo-diploma als een pedagogisch-didactisch getuigschrift (PDG) krijgen een vrijstelling wanneer zij Nederlands of rekenen geven. Deze combinatie komt volgens OCW relatief vaak voor bij entreeopleidingen, waar geregeld één vaste docent meerdere vakken verzorgt. Ook de rol van de werkgever wordt groter. De mbo-instelling, de opleider en de docent bepalen gezamenlijk welke aanvullende scholing nodig is. Voor bol- en bbl-opleidingen gaan dezelfde eisen gelden.
Zorgen over lerarentekort
De Raad van State onderschrijft het belang van bekwame docenten, maar waarschuwt voor mogelijke gevolgen voor het lerarentekort. Volgens cijfers die de Raad aanhaalt, bedraagt het tekort aan docenten in het mbo tussen de 900 en 1.300 fte. Bij Nederlands gaat het om 11,8 procent van de werkgelegenheid, bij rekenen om 9,2 procent en bij burgerschap om 4,4 procent.
De Raad vindt dat OCW beter in kaart moet brengen hoeveel docenten aanvullende scholing nodig hebben en welke gevolgen de eisen kunnen hebben voor de werkdruk en de beschikbaarheid van docenten. Ook moet het ministerie duidelijker maken hoe het wetsvoorstel aansluit op de bredere herziening van de bekwaamheidseisen voor leraren.
Het advies van de Raad van State verscheen op 27 juli. OCW verwacht het aangepaste wetsvoorstel eind september of begin oktober naar de Tweede Kamer te sturen. Wanneer de Kamer het voorstel behandelt en wanneer de nieuwe eisen precies ingaan, is nog niet bekend.
Bronnen: MBO Raad, internetconsultatie OCW, Rijksoverheid en Raad van State.