Studentenwelzijn vraagt meer dan goede bedoelingen

Wat maakt dat een student ’s ochtends met zin naar school gaat of juist liever wegblijft? Wat is de impact van prestatiedruk op het studentenwelzijn? En hoe kan (het gevoel van) druk verminderd worden? Deze vragen stonden centraal tijdens de afsluitende Kwaliteitstafel Studentenwelzijn en Begeleiding, die het Kwaliteitsnetwerk mbo op 3 februari organiseerde bij Bar Beton op Utrecht Centraal. Verslag van een middag vol bevlogen gesprekken over gezien worden, zelfregie, flexibele leerroutes, studentenwelzijn als geïntegreerd onderdeel van goed onderwijs en de cruciale rol van de docent hierin.

Het is woensdagmiddag, 15.00 uur. Een blik op de deelnemerslijst leert dat deze Kwaliteitstafel een bijzondere samenstelling kent. Hier is sprake van the whole system in the room. Na twee studentenarena’s en twee bestuurstafels komen alle sleutelpartijen samen om de dialoog aan te gaan over dit onderwerp. Eerst wordt er geluisterd, dan in verdiepingssessies vertraagd, om tot slot te versnellen naar mogelijke oplossingsrichtingen. Het gehele traject met meerdere sessies is een aanpak waarop het Kwaliteitsnetwerk mbo jaarlijks enkele urgente kwaliteitsthema’s onder de loep neemt en met scholen en andere betrokkenen werkt aan betere onderwijskwaliteit.

Het moment waarop deze afsluitende tafel plaatsvindt, had niet treffender kunnen zijn: twee weken eerder publiceerde de Onderwijsraad de verkenning ‘Welzijn en Onderwijs’. En op 30 januari presenteerde het nieuwe kabinet zijn coalitieakkoord ‘Aan de slag’, met een duidelijke oproep om te investeren in het welzijn van studenten. Genoeg prikkels dus voor een goed gesprek. Aan tafel zitten vertegenwoordigers van OCW, MBO Raad, Inspectie van het Onderwijs, SBB, VNO/NCW-MKB Nederland, ontwikkelfonds Wij Techniek, mbo-bestuurders én twee studenten: Mirjam en Lotte.

Gezien worden, vertrouwen krijgen

Juist de twee studenten geven het gesprek een scherp en persoonlijk perspectief. De bijdragen van Mirjam en Lotte vormen het referentiepunt voor de gesprekken die volgen. Mirjam, BBL-student en bestuurslid bij de studentenraad van het Hoornbeeck College, opent door te benadrukken hoe belangrijk vertrouwen is. ‘Wat ik het fijnste vind aan school, is dat ik word gezien als student. Dat docenten weten wat ik kan en me daarin vertrouwen geven.’ Dat vertrouwen uit zich voor haar in maatwerk: ruimte om afwezig te zijn als dat nodig is, zonder meteen afgerekend te worden. ‘Ze weten: je mist misschien lessen, maar je leert het wel. Je kunt het.’

“Het fijnste aan school, is dat ik gezien wordt als student”- Mirjam, student

Lotte, bouwkundestudent en JOBmbo-bestuurslid kiest een andere invalshoek en verwoordt wat voor haar reden kan zijn om school juist te vermijden. ‘Ik vermijd school het liefst als ik te veel prestatiedruk ervaar. Als ik me onveilig voel onderweg. Als ik niet hetzelfde word behandeld als mijn medestudenten. Of als ik het gevoel heb dat niemand me mist als ik er niet ben.’ Tegelijkertijd benoemt Lotte helder wanneer school wél werkt: als docenten oprecht vragen hoe het gaat, als lessen aansluiten bij het beroep en als ze begrijpt waarom ze iets leert.

Prestatiedruk, een woord met veel betekenissen

De ervaringen van Mirjam en Lotte vormen de onderlaag voor de verdiepende gesprekken direct na de opening. Deze vinden plaats in een kleinere setting: de helft van de groep gaat naar een andere zaal. Zodoende wordt op twee plekken de vraag ‘Wat is prestatiedruk eigenlijk?’ beantwoordt. Al snel blijkt dat ‘prestatiedruk’ geen eenduidig begrip is. De ervaring verschilt per student en per context. Lotte brengt dat scherp onder woorden. ‘Voor de één werkt druk motiverend, voor de ander niet. Als je altijd stress ervaart, is druk niet fijn. Wat voor mij helpt, is het gevoel dat ik er zelf invloed op heb.’ Regie en voorspelbaarheid blijken cruciale factoren. Wie weet wat er komt en ruimte ervaart om te plannen, kan beter omgaan met spanning.

Lotte plaatst hierbij zelf een nuance. ‘Ik kan juist productief zijn onder druk; zónder word ik laks. Ik moet het wel op school kunnen achterlaten. Niet dat de druk me ’s avonds en in het weekend blijft achtervolgen.’ Dat omslagpunt – wanneer druk helpt en wanneer die schaadt – komt in beide gespreksgroepen terug.

Te veel loketten

Ook nadrukkelijk benoemd is de hoeveelheid aan loketten. Voor studenten is het vaak onduidelijk waar ze terechtkunnen met vragen of zorgen. Welzijn, begeleiding, studieadvies en zorg zijn versnipperd georganiseerd, met het risico dat studenten van loket naar loket worden gestuurd. Juist daarom is het belangrijk dat docenten en mentoren het eerste aanspreekpunt zijn. Zij nemen samen met het team verantwoordelijkheid en verwijzen pas door als dat echt nodig is.

School meer invloed dan vaak gedacht

Een ander belangrijk inzicht is dat scholen zelf een grote rol spelen in hoe prestatiedruk wordt ervaren. Lotte wijst op iets ogenschijnlijk eenvoudigs: planning. ‘Als je tegelijkertijd voor verschillende vakken moet leren, wordt de druk meteen heel groot.’ In haar opleiding wordt dat deels ondervangen door projectmatig werken. ‘We werken weken toe naar één project waarin meerdere vakken samenkomen. Dan ben je al bezig en is het niet ineens alles tegelijk.’

Hierop volgt een bredere discussie, waarbij het onder meer gaat over toetsen versus opdrachten, spreiding van werkbelasting en de vraag hoeveel zelfregie en ruimte studenten krijgen in het organiseren van hun leerproces en het ontwikkelen van hun eigen leerroute. Daarbij wordt ook gesteld dat studenten zelf verantwoordelijkheid hebben. Maar die verantwoordelijkheid kan alleen worden genomen als de randvoorwaarden kloppen.

Pleidooi voor flexibele leerroutes

In de andere zaal komt eveneens dit aspect van ‘prestatiedruk’ aan bod. De huidige opdeling in tijdsblokken, waarbij elke periode afsluit met toetsen, is geen verplichting, zo wordt hier gesteld. Als we die afschaffen en voortaan toewerken naar één eindopdracht, één proeve van bekwaamheid, dan ontstaat er meer ‘leertijd’. Student Mirjam vertelt dat ze het eigenlijk wel fijn vindt om toetsen te hebben: je rondt iets af, krijgt zicht op je voortuitgang. Een toetsmoment geeft je leerroute structuur. Maar dat kan ook op een andere manier, reageert een van de tafelgenoten. Al kan die toets aan het eind van de rit wel extra stress opleveren. Dat kan verminderd worden door de flexibiliteit in leerroutes te vergroten en bijvoorbeeld ook challenges met het werkveld in te bouwen. Grootste vraagstuk is hierbij de docenten; die zijn met een ander onderwijsconcept ‘opgevoed’ en voelen zich zodoende thuis in de ‘toetscultuur’.

“Ik vind het eigenlijk wel fijn om toetsen te hebben: je rondt iets af, krijgt zicht op je voortuitgang”- Mirjam, student

Begeleiding en welzijn: twee kanten van dezelfde medaille

Een volgend onderwerp dient zicht aan: de relatie tussen begeleiding en studentenwelzijn en dan met name de begeleiding rond stages en BPV. In de twee studentenarena’s die het Kwaliteitsnetwerk in 2025 organiseerde rondom Studentenwelzijn en Begeleiding kwam al naar voren dat studenten in de praktijk soms weinig contactmomenten hebben met school, terwijl die wel zijn afgesproken. Student Mirjam herkent dit, maar heeft op haar BPV-plek gelukkig goede begeleiding. ‘Ik word daar gezien als volwaardige medewerker. Dat voelt goed. Daar is ook druk, maar die druk blijft op het werk.’ Haar ervaring leidt tot de vraag wat scholen kunnen leren van de praktijk als het gaat om vertrouwen, duidelijkheid en het serieus nemen van studenten.

Ook het maken van studiekeuzes komt aan bod. Krijgen studenten voldoende begeleiding bij het kiezen van een opleiding? Is er aandacht voor tekortsectoren? En hoe voorkom je dat begeleiding vooral reactief wordt (pas als het misgaat) in plaats van preventief? Ook interessant is het gesprek rondom ‘prestatiemotivatie’: zouden studenten eigenstandig leren en beter presteren als er géén druk van buitenaf op hen wordt gelegd?

De docent als sleutel tot collectief welzijn

Vooraf werden de twee groepen verzocht pas in het tweede deel van de verdiepende gesprekken met mogelijke oplossingsrichtingen te komen. Een moeilijke opgave. Bij het doorgronden van het probleem, komen de tafelgenoten het liefst direct met oplossingen. Daarbij wordt regelmatig de centrale rol van docent benadrukt. Niet als hulpverlener of individuele probleemoplosser, maar als degene die dagelijks de leeromgeving vormgeeft. Kleine, structurele momenten van aandacht maken een groot verschil. Een voorbeeld hiervan is de dagelijkse check-in aan het begin van de les: kort stilstaan bij hoe studenten erbij zitten, wat hen bezighoudt en wat ze nodig hebben om te kunnen leren: ‘Welk cijfer geef je op dit moment aan…’

Juist die check-in laat zien hoe we welzijn collectief en preventief kunnen benaderen. Het gaat niet om het uitlichten van individuele studenten, maar om het normaliseren van het gesprek over druk, energie en concentratie binnen de groep. Het verlaagt de drempel voor studenten om iets te zeggen. Wie dagelijks wordt uitgenodigd om even in te checken, hoeft niet eerst ‘problemen’ te hebben om gezien te worden. Dat vraagt wel om ruimte en vertrouwen voor docenten: ruimte om dit soort pedagogische keuzes te maken en vertrouwen dat dit bijdraagt aan onderwijskwaliteit. Studentenwelzijn wordt daarmee geen extra taak, maar een geïntegreerd onderdeel van goed onderwijs.

Een gezamenlijke verantwoordelijkheid

Wat deze middag vooral zichtbaar maakt, is dat we voor studentenwelzijn geen kant-en-klaar actieplan kunnen opstellen. Wel zijn er duidelijke bouwstenen voor een gedeelde agenda: het belang van vertrouwen, zinvol en samenhangend onderwijs, realistische planning, participatie van de studenten, flexibele leerroutes en begeleiding die welzijn niet als bijzaak ziet. Ook evident is dat studentenwelzijn niet kan worden opgelost door één partij. Niet door studenten alleen, niet door docenten alleen en ook niet door beleid alleen. Het vraagt om samenhangende keuzes in het hele systeem. Of, zoals een van de deelnemers het verwoordt: ‘Dit gaat niet over zachter of minder eisen stellen. Dit gaat over slimmer organiseren, beter begeleiden en samen verantwoordelijkheid nemen.’