Opinie | De roep om beter taal- en rekenonderwijs klinkt opnieuw luid. Het nieuwe kabinet wil blijven investeren. Binnen het mbo gaat een deel van die middelen naar het ontwikkelen en evalueren van interventies. Dat is begrijpelijk, vindt Fadie Hanna, associate lector pedagogisch handelen in het mbo aan de HvA en toezichthouder in het mbo. ‘In de politiek, maar ook in het onderwijs, leeft de overtuiging dat verbetering vooral gezocht moet worden in aantoonbaar effectieve ingrepen. Maar de vraag is of nóg een interventie ons werkelijk verder brengt.’
We weten dat interventiestudies zelden het ontbrekende antwoord bieden. Ze laten vooral zien dat iets onder specifieke omstandigheden effect heeft gehad, vaak van beperkte omvang. Ze zeggen veel minder over waarom dat zo is, voor wie het werkt en onder welke implementatievoorwaarden. Het mbo kent bovendien een grote diversiteit aan studenten, opleidingen en onderwijscontexten. Juist daardoor blijken interventies lastig overdraagbaar. Wat in de ene setting effect sorteert, vaak op kleine schaal, verdampt in een andere soms binnen korte tijd.